Peter Schröder was in de jaren 60 en 70 redacteur van Hitweek/Aloha. Hij schreef als free-lance journalist bij De Volkskrant, Vrij Nederland en HP Magazine over popmuziek en jeugdzaken en maakte ook radioprogramma's voor de VPRO.
Momenteel is hij redacteur van De Leunstoel, Internetmagazine voor rustige mensen. Daarin schrijft hij over kunst, wetenschap en maatschappij in bijvoorbeeld de rubriek Beelden uit Soberder Tijden. Kijk op de website:( http://www.deleunstoel.nl/archief_artikelen.php?auteur_id=24. )
Hieronder volgen 2 teksten over Vroeger; over muziek van Haagse scholieren in de 50er jaren en over de opkomst en de verdwijning van Hitweek/Aloha.
1. De Ramp in de Zoutmanstraat
2. Hitweek, Jeugdrevolutie 'Live'
1. De ramp in de Zoutmanstraat,
over Haagse Scholierenmuziek
Peter Schröder
Wat is er niet Haags?
Mijn ouderlijk huis staat in de Perenstraat in de Haagse Vruchtenbuurt. Ik woonde er vanaf mijn geboorte in 1943 tot mijn eindexamen in 1963 en verhuisde toen naar Amsterdam. In het ’Magisch Centrum’ van de jaren zestig liggen rondom Hitweek mijn actieve muziekjournalistieke jaren. Over die muziekperiode van 1963 tot en met 1970 heb ik ter gelegenheid van de Hitweek-verjaardag in 2003 een artikel geschreven[1]. Maar mijn wortels zijn Haags. Den Haag, mijn ouders hebben er altijd gewoond (mijn moeder woont er nog steeds). Ik bleef Den Haag regelmatig zien en werkte tussen 2003 en 2005 voor het ministerie van OCW op de zestiende verdieping van de Hoftoren bij Den Haag Centraal (uitzicht op de plek waar eens het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen stond, in de verte het Kurhaus). Mijn taal is sterk gevormd door Hagenaars Koot & Bie[2] en later, met de eigen kinderen, ook Wim [Ernie] Schippers (laten we zeggen half Haags) en Paul [Bert] Haenen (“Leuk dat u dat vraagt”). Amsterdam: Hitweek en Provo, het waren overigens bewegingen die gedragen werden door ‘provincialen’ (Amsterdammers noemen iedereen die daar niet geboren is ‘provinciaal’) met daaronder een overdosis Hagenezen.Vertellen dat de wortels van Nederlandse jazz en beat ook in Den Haag lagen is het intrappen van een open deur. Welke Nederlandse stad mag zich al zo lang verheugen in een Muzenstraat? Kortom: Wat is er Haags aan Muziek in Den Haag en Scheveningen? Wat is er niet Haags aan de Nederlandse muziek uit mijn schooltijd?
Scholierenmuziek
Den Haag en Scheveningen, Muziek en Middelbare School, het gaat over vroeger. Vader op zijn praatstoel, hij legt het nog eens uit, jeugdsentiment: Den Haag & Scheveningen – ontspannen, doorgewaaid, rustig. Muziek – van Dixieland naar Coltrane en dan Beat. Middelbare School – Montessori, Poortgroep en Ban de Bom. Eigenlijk heb ik alleen maar goede scholierenherinneringen aan Den Haag, halfbewuste herinneringen van een muzikale alleseter. Nog niet middenin het echte leven, weinig sappige anecdoten uit de Haagse Jazzclub, de Marathon, De Sport (gelukkig hebben vele anderen dat al prachtig gedaan). Een zwaar jaren-vijftig-stempel: mooie sobere tijden, geen overvloed aan MPS-filetjes of -images, nauwelijks teevee. Weinig herinneringen aan de obligate onopvallende eigengemaakte muziek (piano- en blokfluitles, muziektheorie !? -geen trompetlessen in de harmonie) maar vooral het toenmalige Nederlandse aanbod aan schaarse radioprogramma’s (Michiel de Ruyter, Pete Felleman, Dutch Swing College, Ramblers), schaarse gramofoonplaatjes (Blue Note singeltjes, Metronome ep’s, gekocht bij Sprenger’s in de Passage en het Ultrafoonhuis in de Poten) en schaarse optredens (jazzconcerten met Amerikanen, schoolavonden Haagse orkesten) met muziek ’van ons’.
De Vink en de Zoutmanstraat
Op een middag in 1999 zat ik op kantoor achter het beeldscherm te kijken op de website van KLM Aerocarto en zag daar een serie luchtfoto’s van ‘De Ramp bij De Vink’. Flink wat historisch beeldmateriaal over de spoorwegramp van 1926 bij Leiden en ik dacht: misschien is dat interessant voor Frits Hotz, de schrijver die over deze gebeurtenis de prachtige novelle De Voetnoot [3] heeft geschreven. Niet veel later zag ik bij De Slegte een videoband met Polygoon-journaalopnamen waarop alweer beelden van het ‘Spoorwegongeluk De Vink’ te zien waren. Ik stuurde Hotz afdrukjes van de luchtfoto’s en deed er een briefje bij waarin ik aanbood hem desgewenst ook van de videoband te voorzien. Voor ik het wist schreef ik hem ook dat ik bij de woorden ‘De Ramp bij De Vink’ onweerstaanbaar moest denken aan ‘De Ramp in de Zoutmanstraat’, de intrigerende frase die sinds ik hem voor het eerst hoorde muurvast in mijn hersenpan gegrift staat.
Hotz belde mij op om te bedanken. Hij vertelde bijna niet meer te kunnen zien, en toch met zijn reuzenvergrootglas iets van de plaatjes te hebben kunnen herkennen. Maar die video, dat zou niet meer gaan. Na wat somber heen en weer gepraat over zijn wegkwijnend gezichtsvermogen fleurde Hotz op toen De Ramp in de Zoutmanstraat ter sprake kwam: welzeker: als jazztrombonist kende hij die klassieker maar al te goed.
Zeehelden en nachtcafé
De Ramp in de Zoutmanstraat hoort bij de Haagse jazzfolkore uit de bezettingsjaren. De Kultuurkamer had een ‘verbod op negroïde en negritische elementen in dans- en amusementsmuziek’, afgekondigd en stuurde politie de zalen in om te controleren dat er geen Amerikaanse woorden en geluiden te horen waren. De jazzmusici bleven spelen maar verhaspelden de namen van hun orkesten en de gespeelde Amerikaanse nummers in Nederlandse dwaalspoor-‘vertalingen’. Zo traden de Swing Papa’s van Peter Schilperoort wel op als de ‘Zwaai Vaders’ en The Ramblers van Theo Uden Masman als ‘De Zwervers’. Ze brachten dan nummers als Dit kon wel eens de staart zijn van een big (This could be the start of something big) of De Sjieke Arebei (The Sheik of Araby). Geen humor om over naar huis te schrijven, maar dan is er de South Rampart Street Parade die werd omgezet in De Ramp in de Zoutmanstraat. Het origineel is een populaire compositie (1937) van bassist Bob Haggart en drummer Ray Bauduc uit het orkest van Bob Crosby, geïnspireerd op de marsmuziek in de gelijknamige straat in New Orleans. De Haagse Zoutmanstraat[4] is een vrij korte straat in, jawel, de Zeeheldenbuurt, tussen de Vondelstraat en de Laan van Meerdervoort met daartussenin het Prins Hendrikplein. Hotz noemt in Proefspel[5] de toenmalige blauwe straatklinkers (gemaakt van hoogovenslakken, nu kostbaar Haags antiek) en het nachtcafé waar hij en zijn jazzmakkers jenever dronken, maar verder is er weinig opmerkenswaardigs aan de straat. Er is niet lang geleden een moord gepleegd (De moord in de Zoutmanstraat), er is altijd tramverkeer geweest, maar van een Ramp is niets bekend. Geen semantische overeenkomst, maar wel goed herkenbare associaties, zwanger van zelf te verzinnen berichten.
En uiteindelijk een autonoom poëtisch kunstwerk:
Zeg het eens hardop; De Ramp in de Zoutmanstraat: prachtig ritme, mooie klank, hoe je de woorden, snel/ langzaam, hard/zacht, hoog/laag, deftig of plat Haags, ook uitspreekt. Als de beroemde strofe ‘Den Haag, je tikt ertegen en het zingt’ van Gerrit Achterberg[6] ergens een snaar raakt, is het wel hier.
Scheveningse vrouwen
In Den Haag zat ik op de (Eerste Nederlandse!!!) Montessori School Laan van Poot, tegen de duinen aan, en een van mijn beste vrienden was Roel van Duijn (wij delen een Montessori-carrière van kleuterschool tot en met Haags Montessori Lyceum, het HML). Zijn moeder organiseerde een tijdje een theosofisch georiënteerd kinderclubje dat ‘Lotus cirkel’ heette. Daar leerden wij een lied waarin de zin voorkwam: ‘Onze vijanden dat zijn: Zelfzucht, Haat en Zonde’. Mijn broertje Frank zong een tijdje later ‘Onze vijanden dat zijn: Scheveningse vrouwen’. In Schevenings kostuum werkten Scheveningse vrouwen toen als werkster in Den Haag. Ze spraken hard een zangerig Schevenings dialect dat mijn broertje in verwarring bracht. Scheveningse mannen waren te zien en te horen met hun haringkarren: “Nieuwe heaearing!” Mijn vriend Wim riep in een ondoordachte bui een keer “Scheveningse Schollekop” tegen een haringman, die hem vervolgens flink, met visschubben en al, de oren waste.
Scheel Heveningen
Het woord Scheveningen roept bij mij onherroepelijk het Spoonerisme ”Scheel Heveningen” op. Ook weer een autonoom poëtisch kunstwerk. Meer taal en veel minder klank en ritme. In zijn meest uitgebreide vorm[7] iets gekunsteld (lagere-school-scatologie), maar toch. Declameer het goed gearticuleerd, onbewogen, iets galmend, neem de tijd:
De schand in de Breveningse hoerkous. Scheel Heveningen was een vlooi der prammen. Ver weg op zee zag men een pissende vink. De gatbasten waren gezoodnaakt het land te verstraten en riepen in hun kloten buiten lont. Ze kakten hun poffers, en streken elkaar kak in het gelaat. Enkelen kwakten zaad, anderen kakten zalm langs een touw. De guitspasten neukten de bok van het dak. Niets werd gered dan tien linnen tepels en een lul van een predikant in de harige kut van een vinnige pissersvrouw.
Drie klarinetten
In de Kurzaal van het Kurhaus te Scheveningen organiseerden Haagse impresario’s Lou van Rees en Paul Acket in de jaren vijftig (lang voor het Northsea Jazz Festival) alle belangrijke Haagse concerten van Amerikaanse jazzmusici. In 1955 werd daar ook de allerbeste plaat van The Dutch Swing College[8] ‘live’ opgenomen. De DSC is wat betreft impact (populariteit, inventiviteit, consistentie en lange adem) op het landelijke muziekleven van die periode het best te vergelijken met de latere Golden Earring (en met eerder The Ramblers van Theo Uden Masman). Het orkest van Schilperoort speelde sappige muziek die niet verward moet worden met de dixieland van mannen met streepjespakken en strohoeden op braderieën. Op die ‘live’-plaat staan louter hoogtepunten: het gaat om het afscheidsconcert van voorman-klarinettist (saxofonist en drummer) Peter Schilperoort. Hij was afgestudeerd in de vliegtuigbouwkunde en ging nu bij de ondertussen verdwenen vliegtuigbouwer Fokker werken. De DSC speelde meestal met twee klarinettisten (de ander was Dim Kesber) en Schilperoort zou worden opgevolgd door Jan Morks. In Weary Blues speelden de blijvende, de komende en de gaande man samen: prachtig! Als leider werd Schilperoort opgevolgd door pianist Joop Schrier die ook heel aardig clavecimbel kon spelen, meestal Bach, maar in I’ve found a new baby ook met de band.
De hele canon van de jazz
In 1956 hoorde ik in het Kurhaus de aanstekelijke muziek van trombonist Kid (toendertijd 70 jaar) Ory en zijn All-Stars waarin Ellington bassist Wellman Braud. (Het programma maakt melding van South Rampart Street Parade). Een jaar later was het mijn jeugdheld sopraansaxofonist Sidney Bechet, voorloper van Coltrane, begeleid door het Franse orkest van André Rewiliotty en in 1959 hoorde ik Louis Armstrong and his All Stars bij uitzondering in de Houtrust Hallen. Met mijn Agfa Clack fototoestelletje (‘Click zegt mijn Clack’) maakte ik daar foto’s.
In het Kurhaus hoorde ik in de jaren tussen ’56 en ’63 de hele canon van de contemporaine jazz voorbijkomen: Count Basie, Gerry Mulligan, MJQ, Duke Ellington, het legendarische Max Roach Quintet, Miles Davis, Cannonball Adderly, Coleman Hawkins, Benny Carter, Jay Jay Johnson, Stan Getz, Art Blakey’s Jazz Messengers, Thelonious Monk, John Coltrane met Eric Dolphy, wat zal ik zeggen, teveel om op te noemen. Een uitgebreide fotografische galerij van deze iconen is te vinden in het werk van Ed van der Elsken, in kranten en boekvorm. [9]
Wat een luxe! De Amerikanen speelden ’s avonds in het Kurhaus en daarna ging het per bus naar het Amsterdamse Concertgebouw voor een nachtconcert. Mijn vriend Frits Oppenoorth hing de knallende zwart-witte Lou van Rees affiches op school aan de muur, kaartjes kon je bij hem kopen. We kochten de goedkope stoelen aan de zijwanden van de zaal, haaks op het podium, tijdens het eerste nummer schoven we snel naar de onbezette goede plaatsen in de zaal.
Beschaafde mensen en volksdansen
Het Haags Montessori Lyceum was een ietwat ‘culturele’ school voor overwegend nette mensen. Culturele avonden met klassieke muziek, poëzie, klassiek toneel, ook wel Franse chansons, op muziekles Porgy & Bess, de Mattheus en Westside Story. Wiskundeleraar André Drop zette zijn eerste stappen op weg naar een trompetcarrière in de jazz, wij leerlingen maakten er onder leiding van Nico Crama serieuze films. Mijn moeder Pom gaf er volksdansles. Hoewel bijvoorbeeld de calls uit de squaredancemuziek ook de kern vormden voor de sensationele zang van Bill Haley in Rock around the clock, en de ruige saxpartij van King Curtis in Yakety Yak van The Coasters bestond uit bluegrass vioolriedels uit hetzelfde genre, werd volksdansmuziek toen toch vooral gezien als iets voor geitenwollensokkentypes. Wat mij betreft waren de internationale ‘kerstcursussen’ die Pom organiseerde in de Loosduinse jeugdherberg Ockenburg het leukst. Daar kwamen Schotten met doedelzakken en Fransen en Britten met virtuoos bespeelde accordeons en niet te vergeten Franse meisjes.
Deux Jeateux
Mijn vader Leo was altijd bezig met ‘Jeugdwerk’, in het bijzonder de Nederlandse Jeugdherberg Centrale N.J.H.C. Hij werkte bij de PTT en ook daar zat muziek in: hij kreeg van de zaak autorijles van instructeur Eikelboom die trots vertelde over de successen van dochter Jeanette en zoon Teun. Sjaan en Teun vormden het zeer jeugdige accordeonduo Les Deux Jeateux (voor de hardhorenden: Jeanette + Teun). Teun was op weg zich te ontwikkelen tot de teevee-orkestleider-componist Tonny Eyk en had besloten zijn muzikaal vakmanschap te verstevigen door aan het conservatorium te gaan studeren en zich daar ook te bekwamen op de trombone (later zou hij op zijn beurt Kees van Kooten bij de tromboneles helpen). Waarom is dit ook interessant? Teun/Tonny verdiende toen al de kost als succesvol professioneel musicus, maar werd door zijn conservatoriumstudie weer leerling. Leerlingen mochten in die tijd van de directeur van het conservatorium (toen Van Baaren) niet voor geld optreden want dat was schadelijk voor de beroepsmusici. (zie ook weer Hotz in ‘Proefspel’ [10]) Dit schnabbelverbod was natuurlijk ook schadelijk voor zijn eigen leerlingen die geen podiumervaring konden opdoen.
[1] Zie noot 6.
Frans Elsen speelt boogiewoogie
In de dépendance van het HML in de Van der Parrastraat (schoolgebouw ontworpen door D. Roosenburg ) werd mijn moeder Pom bij haar volksdanslessen begeleid door pianist Frans Elsen, vers van het Conservatorium en op weg een van de steunpilaren van de ‘Jazz behind the dikes’ te worden. Hij bracht ons tussendoor met boogiewoogie in grote opwinding. Frans Elsen speelde destijds ook in het kwartet van Peter Schilperoort (tijdelijk uit de DSC) maar gold als veel ‘moderner’. In maart 1957 trad het Schilperoort Kwartet op in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen tijdens het programma Jazz West Coast waarin de van het Stan Kenton orkest bekende saxofonisten Bud Shank en Bob Cooper headliners waren. Met klasgenoten vormden wij een Elsen-clacque die liet merken wie er hier kampioen was door elke noot van Frans met een daverend applaus te belonen. Die avond, gepresenteerd door Pete Felleman (‘op de bekende, aangename manier’ stond in de krant) traden verder op de Kees Kuyt Combo, de Wessel Ilcken Combo (bestaan er nog Combo’s ?) en Rita Reys. Ik citeer uit de kranten: ‘Frans Elsen is de grote man hier, zijn pianospel was tot in de puntjes verzorgd en het rapsodische begin van Just one of those things klonk groots’. ‘Een opvallende prestatie leverde vooral de jonge pianist Frans Elsen met het solonummer Just one of those things’.
Hernando’s Hideaway (Olé)
Later gaf Pom ook volksdansles aan de interscolaire ’vrijdagavondgroep/Dansiofensie’ in een gymzaaltje aan de Johannes Camphuysstraat, beheerd door het echtpaar Stips. Freeke Stips danste mee, de twee broertjes Wouter en Robert Jan keken toe.
Het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen (weet iemand welke wetenschap daar ooit bedreven werd?) was het vaste onderkomen van het Residentie Orkest. Er is weinig van blijven hangen. Haagse scholieren kenden het gebouw van de schoolconcerten van dat orkest, half Den Haag ging kijken toen het in 1964 afbrandde.
Muziek op de schoolavonden van het HML: Leraren Schmidt (klassieke talen) en Van Zweeden (gym) speelden vierhandig aanstekelijk Scaramouche van Darius Milhaud en leerlinge Aukelien van den Beugel (nu klassieke topdeejay Aukelien van Hoytema) speelde op haar haar accordeon even aanstekelijk Hernando’s Hideaway. De Mozart Opera Bastien et Bastienne werd opgevoerd (met Mireille Koens), Roel speelde vaak Chopin en hield er ook zijn gedenkwaardige compositie Aula Divertimento ten doop.
De Poortgroep
Met Roel, Frits, Jan Willem, Yvon, Hans, Tilly, Eva, Frank, Erik, Erik, Jaap, Joost en andere romantici waren we een groep artistiekelingen gaan vormen, een jaren-vijftig-variant van Nescio’s Titaantjes met ook wel trekken van het muzikantengezelschap van Hotz uit Proefspel (veel fietsen, nooit geld, veel groepsgedachten en veel jenever). ‘De Poortgroep’ was de naam en we schreven gedichten, maakten schilderkunst, bespraken Sartre. Wij wisten wat er verkeerd was aan de maatschappij, gingen de hemel bestormen en werkten ook aan een betere wereld. De Poortgroep zorgde najaar 1961 op het kruispunt Laan van Meerdervoort en de Anna Paulownastraat voor de Haagse première van een sit-down-actie tegen de kernbewapening. Onze Ban de Bom-beweging vormde later in Amsterdam een van de startpunten voor Provo.
Jazz en de tijdgeest
In het Prismaboek Jazz, van New Orleans tot Cool van J.E. Behrendt[11], lange tijd eenzaam standaardwerk, werd uitgelegd dat ‘...werkelijke jazzvrienden niets moeten hebben... van drummers ...die losgelaten jonge mensen aansporen tot nieuwe lichaamsverdraaiingen en tot steeds schriller geschreeuw’. In de flaptekst: ‘Het is langzamerhand wel duidelijk dat men zich van dit merkwaardige verschijnsel niet kan afmaken als de stuiptrekkingen van een decadente beschaving, of als het puberteitslawaai van de asfaltjeugd’. In het boek werd in schema’s met pijlen uitgelegd hoe jazz was ontstaan, zich had ontwikkeld en was uitgegroeid: bijvoorbeeld hoe Miles Davis moest worden gezien als de zoon van achtereenvolgens D. Gillespie, R. Eldridge, Louis Armstrong en uiteindelijk King Oliver. Dat gaf modernisten houvast.
Meisjes en jazz
Goed, hoe dan ook: Miles Davis, Max Roach, John Coltrane, Charles Mingus en niet te vergeten Clifford Brown. Dat was de échte muziek die ook op de doorrookte feesten werd gedraaid: zwijmelen bij Miles Davis in de filmmuziek van L’ascenseur pour l’échafaud.
Bij feesten horen meisjes en dat vraagt uiteindelijk om dansen. Veel Haagse Lyceisten hadden in hun netste blauwe pak + das nog de ‘lichaamsverdraaiingen’ van de Foxtrot, Quickstep en Engelse wals geleerd in de dansscholen van Eddy Kuypers en Ruby Dorany. Op schoolavondjes speelde meestal een dixielandorkestje (zoals The Stork Town Dixie Kids) met opgewekte 4/4 deuntjes en een enkele Engels wals (Tenderly). Op onze feesten thuis (ouders naar de bioscoop gestuurd) ging dansen (steeds meer jive) tot op zekere hoogte nog wel op Moanin van The Jazz Messengers en Walkin van Miles Davis, maar na een tijdje mocht het liever wat lawaaiiger en expressiever en dan werden Rock‘n’roll plaatjes aangesproken die we soms in een lichtzinnige bui naast de ‘echte’ jazzplaatjes hadden aangeschaft.
De verkeerde noot op het juiste moment
Mijn rockheld was Little Richard. Op de jeugdpagina van een landelijk dagblad las ik: ‘Little Richard is de naam van een kleine jonge neger wiens voornaamste kwaliteiten schijnen te liggen in het nog harder en valser schreeuwen en het nog wilder mishandelen van zijn instrument, dan al zijn Rock en Rollende collega’s al deden’ en dat was klare taal. Ik kocht van Hans Kortweg het plaatje dat daarvoor in handen was van Peter Boermans en daarvoor weer in eigendoom berustte bij H.T. en P.T. die ik niet kende. De (onverslijtbare) plaat met het gele Ronnex-label kostte vijfdehands één gulden en daarvoor had ik Long Tall Sally en Slippin’ and Slidin, opgenomen bij Cosimo Matassa in New Orleans, met de begenadigde tenorsaxofonist Lee Allen, in huis. Achteraf werd duidelijk dat hiermee de kiem werd gelegd voor een nieuwe levensfase met andere muziek op een andere plaats in een andere tijd.
De gitaren rukken op
Op school soldeerde Kees Vermeulen (oudere broer van de jong overleden Bram van Neerlands Hoop) zijn eerste gitaarversterker in elkaar. De gitaar emancipeerde van een enigszins suf ‘schroem schroem schroem’-slaginstrument tot de knallende wonderplank die de wereld ging veroveren. In clubs, zeg maar ‘nachtclubs’ in Den Haag, maar vooral op Scheveningen (de Caveau Tzigane, Palais de Danse en keldertjes in de omgeving van het Kurhaus), gelegenheden tot dan toe beheerst door dames en heren op rijpere leeftijd, verschenen steeds meer orkestjes van jongens in exuberante ‘showkostuums’ met steeds luidere Ventures- en Shadowsmuziek. Veel Haagse indo’s: Electric Johnny & his Skyrockets, Crazy Rockers, Black Dynamites, goed in het pak, mooie kuiven, danspasjes en dan de echo en de reverb maar laten loeien. Ook in de Haagse jazz waren de indo’s (de broertjes Pronk en zus Babs, Rob Agerbeek, Victor Kaihatu) stevig aanwezig, maar nu liepen ze duidelijk voorop.
Robbie
Zo werd zachtjes aan de weg geplaveid voor The Beatles en de bijbehorende Haargolf die in Nederland voor het eerst explodeerde in Den Haag: relletjes op school als The Entertainers (de latere Haigs) speelden, of The Motions met Robbie van Leeuwen.
Dit moet ik toch even kwijt: wat mij betreft is Hagenees Robbie van Leeuwen het grootste Nederlandse Rocktalent ooit, hij was denk ik de enige die goed doorhad dat je met de nieuwe gitaren zo mooi een melodische beat kon neerzetten, een heldere ritmische baslijn van de basgitaar in samen- of tegenspel met de melodie van de leadgitaar (dus niet een elektische versie van dat suffe ‘schroem schroem schroem’ van de slag- of ritmegitaar). Robbie had goed geluisterd naar The Ventures en The Shadows maar ging als hij goed op dreef was veel verder, denk aan de baspartijen van Paul Mc.Cartney of Chris Hillman, wat zal ik zeggen, dragend in contrapunt. Daarom schreef hij ook van die mooie catchy liedjes die je voor altijd bijblijven, van Wasted Words tot en met Venus. En dan strekt het ook zeer tot zijn rock-eer dat zijn carriëre een beetje een zoodje was: hij was humeurig en er ging veel mis. Hij had stijl en wist te kappen als het genoeg was en bleef godzijdank mijlenver vandaan bij het tandeloze Bekende Nederlandserschap in het teeveespelletjescircuit.
De komende en de gaande
In 1964 kwamen The Beatles naar Nederland om op te treden in de veilinghal in Blokker, even later volgden de Stones in het Kurhaus. Het was even wennen. In het voorprogramma zaten behalve Ritchie Clark and The Ricochets (met Robbie van Leeuwen) ook André van Duin en The Fouryo’s (De toeter van papier) en de Stones explodeerden zo krachtig dat de chaos losbarstte en de zaal na twintig minuten werd ontruimd. Ik was het jaar daarvoor in Amsterdam sociologie (dat leek me wel modern) gaan studeren. Als ik met de weekendtas met vuile was van Amsterdam naar Den Haag reisde deed ik dat liftend. Zo kwam ik eind 1964 terecht in de auto bij Theo Uden Masman, een beschaafde, vriendelijke en toen wat stille man. We spraken over koetjes en kalfjes en hij zette me af op het Korte Voorhout, bij de boutique van zijn vrouw. Ik realiseerde me nog niet dat de orkestleider van The Ramblers, die jaren lang één van de populairste Nederlandse radioprogramma’s had verzorgd, kort geleden door de VARA zonder al te veel plichtplegingen (Masman kreeg geloof ik een vulpen) met Ramblers, programma en al aan de dijk was gezet. Nieuwe tijden, nieuwe zeden, slechtere manieren, televisie, beatmuziek en radio-orkesten die werden afgeschaft. Een jaar later was Masman dood.
Het leven gaat door
In Den Haag werd verder gepionierd: rond 1965 werd de blues, onderkend als de roots van de beatmuziek, onder ‘kenners’ steeds populairder. Met het American Folk Blues Festival 1966 (Junior Wells, Otis Rush, Sleepy John Estes) had Nederland in 1965 de première in de Haagse Houtrusthallen. Shakey Horton haalde tot grote vreugde van de liefhebbers uit zijn Hohner Marine Band-mondharmonicaatje even veel loeiend geluid als Jimmy Smith uit zijn Hammond B3. Zeven jaar eerder had ik in die Houtrusthallen geluisterd naar Louis Armstrong, de cirkel is bijna rond. In 1969 vierde de Nederlandse Jeugdherbergcentrale zijn veertigjarig jublileum. Ik was daar omdat mijn vader werd geridderd, maar er was ook muziek: van oud en nieuw, van alles wat: beatmuziek, maar ook de Dutch Swing College Band. Gitaargeweld dreunde door het gebouw, het orkest van Peter Schilperoort speelde in een bij-zaaltje. De mannen hadden het er moeilijk mee en ik hoorde Schilperoort de leiding van het festijn aanspreken op de herrie: “Kan dat nou echt niet zachter? Ze spelen zo kraaie-vals, zo kunnen wij echt niet spelen!” Het hielp niet. Schilperoort is ondertussen ook overleden en de jeugdherbergen proberen hun leven te rekken als ‘Stayokay’. Een wanhopige poging om een genadeloze Vader Tijd vóór te
[1] Zie mijn inleiding bij: Willem de Ridder en Frank Dam (samenstellers), Het Beste uit Hitweek, Utrecht 2003 (Het Spectrum). Ook te lezen in drie afleveringen: Hoe de sixties ontstonden op www.deleunstoel.nl
[2] Sinds Koot & Bie heb ik geen geduld meer voor televisie, ik kan er niet anders dan surrealistische satire in zien.
(3) [3] F.B. Hotz, De Voetnoot, Amsterdam 1989 (De Arbeiderspers). Zie ook p. 26 ‘Rond zes uur cirkelde een vliegtuigje boven de onheilsplek en maakte foto’s voor de geïllustreerde bladen’
[4] Johan Arnold Zoutman, Reeuwijk 1724 – Den Haag 1793, vlootvoogd, bekend van de Slag bij de Doggersbank.
[5] F.B. Hotz, Proefspel. in Proefspel en andere verhalen, Amsterdam 1980 (De Arbeiderspers).
[6] Gerrit Achterberg, Passage, in Ode aan Den Haag, Den Haag 1953 (Bakker-Daamen).
[7] Battus, ‘De Schand in het Breveningse hoerkous’ in ‘Opperlandse taal - & letterkunde’,1981 Amsterdam, E.M. Querido.
[8] ‘The Dutch Swing College Band: Swing College At Home, 1956, ook Philips CD 514 101- 2, 1994.
[9] Ed van der Elsken: Jazz, met teksten van jan Vrijman, Hugo Claus, Simon Carmiggelt, Friso Endt en Michiel de Ruyter, Amsterdam 1959 (De Bezige Bij). Heruitgave, 2007 Göttingen, Steidl. Foto’s geëxposeerd in het Nederlands Fotomuseum, Rotterdam, juli-augustus 2007.
[11] J.E. Behrendt, Jazz, van New Orleans tot Cool, Utrecht/Antwerpen 1955 (Het Spectrum). Vertaling van ”Das Jazzbuch”, Frankfurt/M 1953 (Fischer Verlag).
----
2. Hitweek: Jeugdrevolutie Live
Peter Schröder *)
Wat blijft komt niet terug
Op de rug van het BulkBoek ‘De Jaren 60’ wordt geadverteerd voor de klassieke bundel “De Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje en Mene Tekel” van Nescio. Titaantjes opent met een beroemde terugblik “Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t Zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe ’t moest. We, dat waren wij, met z’n vijven. Alle andere mensen waren ‘ze’. ‘Ze’, die niets snapten en niets zagen”.
Dit wereldbeeld en deze levenservaring waren in de jaren 60 ook van toepassing op de jongens van Hitweek. Op de Hitburelen huisde een steeds wisselend cluster van verschillende groepjes energieke en charmante culturele wereldverbeteraars. Het impliciete motto was: ‘Verbeter jezelf en begin bij de wereld’. Marjolein Kuijsten (‘alle vraagstukken’) en Willem de Ridder (‘samenstelling’) waren daar de moeder en de vader van een familieverband & relatienetwerk dat liet zien dat de wereld er omgekeerd veel mooier kon uitzien.
In dezelfde BulkBoek advertentie is van Louis Couperus ‘Van oude mensen, De dingen die voorbijgaan’ te vinden. De vitale hemelbeklimmers van Hitweek zijn wel ouder geworden, maar veel uit de jaren 60 is niet voorbijgegaan.
We leven nu in een tijd van demografische ‘vergrijzing’ en ‘ontgroening’. Op een onvriendelijke manier wordt de generatie van Hitweek nu wel aangeduid als ‘demografische prop’ die op het institutionele fluweel de maatschappelijke vernieuwing remt. ‘Don’t stand in the doorway, don’t block up the hall, ....the times they-are-a-changing’. Een koekje van eigen deeg.
Wat zijn de variabelen en wat de constanten?
Oorlogskinderen
De makers van het eerste uur werden in de jaren ’40 – ’45 geboren, de lezers in de jaren niet lang daarna. De draad begint dus met de gruwelijke Tweede Wereldoorlog. Die oorlog was zo onvoorstelbaar dat we alleen konden leven met sterk vereenvoudigde lering daaruit. In Nederland had het geleid tot een groot ontzag voor Het Verzet en een obsessie met het indelen van mensen in de categorieën Fout en Goed. Schuldgevoel ging hand in hand met nijvere wederopbouw in een sobere, gehoorzame atmosfeer.
Ook het meer uitbundige gevoel van bevrijding was er natuurlijk wel. Het zat vaak in de subculturele buurt van Amerikaanse ( Jazz) muziek, zang en dans. Als gevolg van uitgestelde gezinsvorming was er vanaf 1945 ook een geboortegolf op gang gekomen.
Geluk was misschien gewoon, maar vaak was het benauwd. Lang was het een rustige tijd. Kunstenaars hoefden niet te sporen. Schilders (Cobra) en dichters (Vijftigers) sprongen wel eens uit de band. Mogelijk rebelse gevoelens van de jongste lichting gewone mensen werden misschien het meeste gescherpt door Annie M.G.Schmidt, de dierbare ‘oer tante’ van die generatie (‘Doe maar eens gek, het is hier al gewoon genoeg’).
Ordinaire pubers (nozems, dijkers, pleiners, bullen en kikkers) vochten wel eens op straat, vooral met elkaar. Politiek geëngageerden demonstreerden later op straat wel tegen het Atlantisch Bondgenootschap (hun logistiek kende geen mobieltjes). Met de komst van de Rock ’n’ Roll kreeg jeugdverzet wat meer élan.
De opkomst van de tieners
Er kwam in Nederland iets op gang dat in de Verenigde Staten en daarna in Engeland al eerder begonnen was. Pubers waren tieners geworden. Puberteit veranderde van een korte groeistuip in een aparte levensfase die steeds meer tijd en ruimte en energie in beslag ging nemen. Vroeger was het eenvoudig: je was jeugd en zat op school. Was je daarmee klaar dan was je volwassen en ging je werken. Soms ging je daarna verder studeren en duurde het even langer eer je volwassen was en een baan had. Maar het was het één of het ander: jong of volwassen. En natuurlijk waren de volwassenen stevig de baas en hadden jongeren niets in te brengen.
Nu groeide de vage periode (‘adolescentie’) tussen afhankelijke jeugd en serieuze volwassenheid. Dat maakte ruimte voor gedoe dat daarvoor niet mogelijk was. Ruimte voor ongehoorzaamheid, zwerven, experimenten en rebellie. Zo groeide er uit deze categorie jeugd een eigen maatschappelijke groepering. En ook een aparte markt. En daarmee ook enige macht.
Het effect werd versterkt omdat er zo véél tieners waren: de naoorlogse geboortegolf gaf de beweging een extra dynamiek. En door de stijgende welvaart versterkte het tienergeld behoorlijk de kracht van de beweging.
Nic Cohn beschrijft in “Pop from the beginning”[1] hoe in de VS en Engeland de popmuziek (rock ‘n’ roll) ontstond waarmee de beweging vleugels kreeg.
Spijkerbroeken en paardenstaarten
Hij schreef ongeveer (ik parafraseer): “Tieners hadden voor het eerst geld te besteden. Ze hadden zelf werk en verdienden zelf geld. Ze hadden zelfs tijd om dat geld uit te geven. Maar als ze op zoek gingen naar dingen om hun nieuw verdiende geld aan uit te geven, dan was er absoluut niks. Voor hen geen eigen muziek, geen eigen kleren, geen eigen clubs, geen eigen groepsidentiteit. Alles was van de volwassenen. Kwamen ze eindelijk in het beloofde land, was het een kale woestijn. Toen tieners nog geen geld hadden pikten ze die leegte. Maar met geld in hun zakken begonnen ze te rebelleren. Ze trokken uitzinnige kleren aan, smeerden vet in hun haar, gingen op motorfietsen rijden. En gingen rellen schoppen: ramen en deuren openbreken, vechten met elkaar.
Zakenmensen hadden tieners nooit als een aparte markt gezien. Een markt met een eigen smaak en heel andere eigen behoeften dan het grote publiek. Maar nu begonnen ze het door te krijgen en sprongen ze snel in het gat van de markt.
En de tieners kochten bijna alles wat er voor hun neus gezet werd: motoren, spijkerbroeken, Brylcreem, paardenstaarten, milkshakes, en vooral muziek. Je hoefde er maar het etiket ‘tiener’ op te plakken en het verkocht. Als het om de muziek ging was het wel lastig dat de platenmaatschappijen geen idee hadden wat voor muziek tieners wilden horen. Ze konden niet veel beters verzinnen dan lawaai per strekkende meter uitbrengen en kijken wat er bleef hangen”.
Overigens: met mate; op 45 toeren singletjes, ongeveer 5 minuten per plaatje. En ongeveer 1 singletje per maand. In de verste verte niet de Gigabites aan MP3 files die nu beschikbaar zijn.
Anarchie
Uit deze stroom nieuw geluid steeg Elvis op. Nic Cohn: “Vóór Elvis was rock een vage rebellie. Daarna werd het robuust, zelfstandig en daaruit kreeg het zijn eigen stijl, zijn kleren, taal en sex, alles totaal anders dan wat er was.”
Cohn komt dan bij zijn eerste (ongeveer 1957) eigen plaatje, “Tutti Frutti” van Little Richard. Hier volgt zijn beschrijving in even treffend als onvertaalbaar Engels: “At one throw, Tutti Frutti taught me everything I ever need to know about pop. The message went: ‘Tutti frutti all rootie, tutti frutti all rootie, tutti frutti all rootie, awopbopaloobop alopbamboom!’. As a summing up of what rock ‘n’ roll was really all about, this was nothing but masterly.
Very likely these early years are the best that pop has yet been through. Anarchy moved in. For thirty years you couldn’t possibly make it unless you were white, sleek, nicely-spoken and phoney to your toenails – suddenly now you could be black, purple, moronic, delinquent, diseased or almost anything on earth and you could still clean up. Just so long as you were new, just so long as you carried excitement.
In a way, we were moving towards some kind of democracy. Under the new system, all you needed was dollar potential: earn, baby, earn. So that’s what Little Richard was celebrating in Tutti Frutti and he was very right”.
En opwindend was het: speciaal thuisblijven om Tutti Frutti op de radio (radio Luxemburg en later de piraten) te horen of hollen naar de platenwinkel om het te kopen en dan 10 x. achter elkaar draaien.
Emancipatie, koopkracht, pluriformiteit. Zo begon het en in het nieuwe universum ging het vooral om nieuwe Muziek, nieuw Haar, nieuwe Mode, maar ook wel om nieuwe Kunst en een nieuwe kijk op Gezag en Politiek.
Eigen huis
Voor mij ligt een brief uit juni 1964 van mijn oude (nu al meer dan en halve eeuw, vanaf de kleuterschool, wat worden we oud) makker Roel van Duijn. De brief bevat een “ONTWERP VOOR EEN COMMUNE OP ANARCHISTISCHE BASIS” en begint “Een plan als dit komt niet uit de lucht vallen. Al jaren bestaan er plannen voor een z.g. Poort-huis, genoemd naar de Poort-Groep. Hiertoe behoorden wij, de eventuele deelnemers, grotendeels. Kenmerkend voor de Poort-groep is een mentaliteit van verzet tegen de burokraties-kapitalistische maatschappij waarin wij leven. Deze mentaliteit uitte zich enerzijds in “asociale” zin in de vorm van nihilisme en irrealisme, anderzijds in “sociale” zin in de vorm van anti-atoombom-demonstraties, waarvan er enkele (Anna Pawlona, Vijverberg-Buitenhof) een uitgeproken revolutionair karakter vertoonden. De Ban-de-Bom-groep ontstond. Politieke en maatschappelijke interesse werd aangewakkerd. Naast andere links-radikale opvattingen vond het anarchisme er aanhang.”
In de jaren daarvoor hadden we op school een literair artistieke Poortgroep opgericht. Daarin werden wezenlijke vraagstukken op het gebied van kunst, cultuur en levensvisie besproken. Dat gebeurde in de ouderlijke huizen en we droomden van een ruimte waarin we het zelf voor het zeggen hadden en we cultuur en levensvisie nog indringender zouden kunnen bespreken. Door schaarse middelen bleef resultaat uit. Successen werden wel bereikt in de openbare ruimte. Enkele goed georganiseerde Ban de Bom acties maakten op straten en pleinen in Den Haag diepe indruk. Eenmaal van school verhuisden we naar Amsterdam. Daar zou de politieke en artistieke dadendrang een vervolg krijgen.
Eigen liefde
Een commune dus. In het Ontwerp werd geschetst hoe de commune moest worden ingericht. Besproken werden de Woonruimteverdeling, Inkomstenverdeling, Gemeenschap van goederen, Koken en boodschappen, Verzorging van de gemeenschappelijke ruimte, Verzorging van de bibliotheek, Administratie maar ook Vertegenwoordiging naar buiten en propaganda. Tot de grondslagen behoorden een “ ... hoge mate van kollektivisatie maar ook maximale vrijheid voor ieder in zijn persoonlijke leven, zolang deze vrijheid geen inbreuk op die van anderen maakt. Respektering van elke seksuele verhouding zonder jalouzie of vermeende aanspraken op het “bezit” van een ander. ......... Geen reglementen, maar: maximale tolerantie en maximale solidariteit”.
Tussen de regels door werd hier zo’n beetje de kern geraakt. Onschuld en verlangen, maatschappelijke idealen met veelwijverij. In de ouderlijke huizen in Den Haag was er ruimte voor discussie en muziek, maar niet te lang na twaalven en niet te luid. Je vriendin/vriend was welkom, maar als je elkaar eens wat dieper in de ogen wilde kijken liep je de kans dat je moeder een kopje thee kwam brengen of je vader kwam vertellen dat het tijd werd om de plaat te poetsen. Nou waren we op eigen vleugels neergestreken in Amsterdam maar bleek het soms wat eenzaam. Zou een gezamenlijke behuizing van vrienden en natuurlijk vriendinnen niet veel leuker zijn?
Eigen politiek
Een goed plan, die commune, maar het belangrijkste ontbrak: het huis zelf. Uiteindelijk ging Roel met Carla wonen in een huis in de Karthuizerstraat. De ideologie uit het plan vormde de opmaat tot Provo. Roel (de denker) en Carla (de vrouw) ontpopten zich vanaf 1965 vanuit hun hoofdkwartier in de Karthuizerstraat in Amsterdam als het bindende kameradenpaar van een ordeloze sociaal politieke beweging. Een beweging die met zijn vasthoudende speelse energie en onorthodoxe strategie een succesvolle stormloop tegen de gevestigde Amsterdamse orde begon. Provo droeg zijn ideeën uit in een zelf gestencild blaadje gekaft in steentjespapier. De beweging en het blad stootten direct door naar landelijke bekendheid en wekten verbazing en afschuw. De bekendheid werd verder versterkt door ‘happenings’ en andere manifestaties waarin Het Gezag zich tevergeefs vastbeet. Ook voor Provo gold “Verbeter jezelf en begin bij de wereld”, maar hier werden de politiek en het bestuur aangesproken. Zoals gezegd vochten daarvoor ‘pleiners’ en ‘dijkers’ vooral met elkaar. Provo ontplooide een grote virtuositeit in het laten struikelen van Het Gezag. Het hielp de gevestigde orde zichzelf te laten ontsporen.
‘Interactief procesfacilitator’ zou je Provo nu denk ik moeten noemen.
Eigen creativiteit
Zelf zat ik in de iets modernistische studentenvereniging Olofspoort. En met Rogier Proper ook in het verenigingsblad ‘Bikkelacht’. In deze omgeving was Wim Noordhoek de Stichting Jeugdsentiment De Jaren Vijftig begonnen. De Stichting had het Groot Gedenkboek van de jaren vijftig uitgegeven. Daarin werd het even brave als dierbare vorige decennium behandeld door mensen die er door getekend waren. De periode van de stilte voor de storm.
De storm was ondertussen goed losgebarsten, met VEEL LANG HAAR, Beatles, Stones en Dylan. Provo en Hitweek waren hun zegetocht begonnen. Met Rogier ging ik begin 1966 in de Alexander Boersstraat – ik woonde er om de hoek - op bezoek om de mensen daar in hun hoofdkwartier te interviewen. Willem legde ons geestdriftig uit welke VERBIJSTERENDE activiteiten er werden ondernomen. Het bruiste er van grensverleggend leven, iedereen was even aardig en het was er ook zeer gezellig. Ik ging stukjes voor Hitweek maken. Over Provo’s, tekenaars en steeds meer over muziek. Het werden er steeds meer. En al gauw was ik het grootste deel van de week bezig met en in de wereld van Hitweek. In de grote huiskamer van langharig en beatminnend Nederland.
Eigen miljoenenzaak
Hitweek was een paar maanden daarvoor, september 1965 opgericht door Peter J. Muller en Willem de Ridder. Peter was een onorthodox en ambitieus communicatietalent. Hij had als jongste bediende gewerkt bij het Amsterdamse advertentieblad ‘De Echo’ en later het popmuziekblad ‘Beatbox’ (‘Voor Ten en Twen’) opgericht. Willem was aan de kunstacademie in Den Bosch enigszins opgeleid tot kunstenaar en had (met Wim T. Schippers) aandacht getrokken met ‘Fluxus’. Willem ging ook aan ‘Beatbox’ werken. Hij besefte goed dat zijn kunst in de traditionele galerie/museum omgeving veel minder goed zou gedijen dan in bijvoorbeeld een eigen krant voor de exploderende beatgeneratie. Peter en Willem wisten drukker Schoonman ervan te overtuigen dat hij in deze hoogtijdagen van de beatmuziek met Hitweek een miljoenenproject binnenhaalde.
Als Willem de president van Hitweek was, was Marjolein Kuijsten de directeur. Marjolein kwam uit Den Haag, speelde met Wim de Bie en Kees van Kooten cabaret en had een opleiding aan de Amsterdamse Kunstnijverheidsschool (nu Rietveld Academie) achter de rug.
Door de telefoon was ze voor heel Nederland de stem van Hitweek. Ze was de manager van alles wat er georganiseerd moest worden. Ze was niet alleen CEO, maar runde ook het bureau en ontving de honderden twieners die van heinde en verre naar Amsterdam kwamen met nieuws, teksten en tekeningen. Ze tikte tekst, maakte pagina’s op, zorgde dat de kopij steeds nog net niet helemaal te laat naar de drukker ging. En maakte fantastisch mooie kleren. Willem was ook de hele tijd met dezelfde werkjes bezig en verzon ook meer nieuwe dingen, maar Marjolein was de constante bindende factor die de machine draaiende hield.
Eigen journalistiek
Peter Muller hield het na een klein jaar voor gezien bij Hitweek. De krant werd vanaf dat moment gedreven door Marjolein en Willem, gesteund door André van der Louw. André (ook medewerker van het eerste uur) had eind jaren 50 de socialistische AJC omgewerkt tot ‘Ruimte’. Daarna had hij het maandblad ‘Twen’, later ‘Taboe’, opgericht en was perschef van de VARA geworden. Hij stelde uit de baal post (ook weer Gigabytes aan hardcopy ‘snailmail’) die dagelijks werd bezorgd de wekelijkse brievenpagina samen, de essentie van Hitweek.
Ik kan verklappen dat Hitweek niet het voorspelde miljoenenbedrijf is geworden (dat het niet aan de markt lag bleek wel uit het succes van de later door meer gedisciplineerde twieners opgezette bedrijven ‘Oor’ en ‘Mojo Concerts’). Maar dat doet niks af aan de baanbrekende formules die bij het maken en aan de man brengen van Hitweek werden ontwikkeld.
Hitweek had geen professionele redactie, maar werd gebracht onder het motto ‘dit is jullie’ krant, schrijf ‘m vol’. De krant werd niet gevuld door deskundige volwassenen, maar door de zelfwerkzaamheid van amateurs, tieners/twieners die niemand nog kende. En dat lukte op een verbijsterende manier. Verspreid over de hoeken en gaten van het hele land bleek zich een stuwmeer van journalistiek talent te bevinden dat aan één signaal genoeg had om een stortvloed aan fantastische berichten, beschouwingen, tekeningen en foto’s op te sturen.
Hitweek werd een marktkraam vol opwindende berichten in een nog niet eerder vertoonde spontane stijl en vaak even ongebruikelijke spelling. Er waren bijdragen van regelmatige medewerkers die het blad enige herkenbaarheid gaven. Maar vooral die eerste tijd kwam de bulk van de teksten uit het onbekende. Deze uitbarsting kwam voor veel mensen totaal onverwacht. Keer op keer bleken overigens verstandige mensen te twijfelen aan de authenticiteit van taalgebruik en berichten. Bureaumedewerkers werden ervan verdacht die stijl uit hun duim te zuigen, de berichten bij elkaar te fantaseren en onder pseudoniem te plaatsten.
Vandaag de dag is zo’n ‘Peer to Peer’ communicatie met eigen taal via het Internet een stuk eenvoudiger. Een tijdje heeft het Net een vergelijkbaar levendig gedachteverkeer opgeleverd.
Eigen vormgeving
De inhoud van de krant kwam uit het land, de vormgeving en opmaak werden op de Hitburelen op een vindingrijk autodidactische manier verzorgd. Willem had een wilde stroom ideeën en ontwikkelde een even simpel als doeltreffend instrumentarium om ze te verwezenlijken. Het ging vooral om het uitbuiten van de mogelijkheden die de vrij nieuwe offset techniek bood. Knippen & plakken, met schaar (het Japanse NT CUTTER ratelmesje), lijmpot (Simson solutie) en vele tapes. De pagina’s werden opgemaakt op grote vellen millimeterpapier. Teksten werden gezet op de IBM Executive schrijfmachine, wel met proportionele spatiëring, maar gewoon getikt met één of meer vingers, door iedereen. Tekst en plaatjes werden opgeplakt of apart opgenomen om ze passend te maken. Tekst te lang? Verkleinen tot de grenzen van de leesbaarheid. Willem haalde illustraties uit vreemde boeken en tijdschriften, de Larousse was vaak herkenbaar aanwezig. Koppen werden gezet uit een grote verzameling lettertypen die werden gekopieerd uit oude en nieuwe bronnen. Er was ook (viltstift) handwerk. En dan waren er ook nog de Al Pas clichés (kwamen Altijd van Pas). Zo vertoonde de krant een voortdurend kameleontisch stijlverloop. Van klassieke Jugendstil en Art Deco tot kersverse de Ridder, Ulf Moritz en Piet Schreuders.
Tegenwoordig kan het met de Mac, QuarXPress of Adobe InDesign en Photoshop allemaal veel makkelijker en mooier. Dat maakt het misschien wel moeilijker met verrassend werk te komen.
Eigen distributie
Wie nu een nieuwe krant op de markt wil brengen doet er verstandig aan enig marktonderzoek te verrichten. Een solide reclamecampagne is onmisbaar. Ook zal er flink wat geld gereserveerd moeten worden voor een substantiële aanloopperiode waarin er veel kosten en geen baten zijn. En dan is het op gang brengen van een doeltreffende distributie de volgende achilleshiel van de start van een periodiek. Kranten zijn bederfelijk: komen ze te laat of op de verkeerde plek dan zijn ze net zo welkom als rotte vis. De traditionele distributeurs zijn duur en niet altijd even toeschietelijk en behulpzaam. Geen wonder dat alleen de grotere uitgevers (schaalvoordelen van vaste lasten) hier duurzaam presteren.
Daarom werd de amateurkrant Hitweek uitgezet bij amateurdistributeurs. Dat waren bijvoorbeeld fanclubs, de opkomende beatclubs/jeugdhonken, ondernemende scholieren en andere individuen. Ze kregen een pak kranten, zorgden voor eigen mond-op-mond reclame en brachten zelf hun waar aan de man. Zeker in het begin zorgde dat voor behoorlijke afzet.
En dan de reclame: geen advertenties en affiches, Willem maakte plakkertjes: ”Hi Ha Hitweek, Koop die eh.....Krant Even”. Die je kon kopen. Binnen de kortste keren zaten die plakkers overal: ramen, deuren, trams, treinen, fietsen, auto’s, potten jam en radio’s. Toen duidelijk werd dat Hitweek een blijvertje was werd de krant ook uitgezet via de traditionele distributiekanalen.
De kosten van papieren tijdschriften zijn al gauw hoog. Vandaag biedt electronisch uitgeven voor beginnende amateurs veel meer makkelijke mogelijkheden.
Eigen business model
De honoraria van redactie en medewerkers vormen bij een normale krant een stevige kostenpost. Deze kosten en de exploitatiekosten worden geacht in evenwicht te zijn met de opbrengsten van verkoop en vooral advertenties. Verkoop, dat ging nog wel. Hoewel: in zijn hoogtijdagen was de oplaag ongeveer 30.000. exemplaren. Mooi, maar elk exemplaar werd door 10 verschillende lezers gelezen. Een verkoop van, zeg 90.000 exemplaren had flink meer geld in het laatje gebracht. (Via het Web is al vaak geprobeerd tijdschriften te exploiteren op basis van ‘pay per view’ – het is nog nooit wat geworden). Het was leuk voor adverteerders, dat lezersbereik, maar Hitweek had (in het begin) helemaal geen advertenties. Advertenties werden niet geworven, uit ideologische motieven, maar ook omdat de advertenties van toen het uiterlijk van de krant zouden bederven.
Hoe werd de tering dan naar de nering gezet? Eenvoudig: geen honorarium voor de journalisten. Marjolein, Willem en André kregen een schrale onkostenvergoeding, maar verder kreeg in het begin niemand een cent. Liefdewerk oud papier, en daaraan was geen gebrek. Iedereen wilde maar wat graag, ook meer professionele journalisten die een verstandig honorarium gewend waren. De ‘content’ kwam van medewerkers die het erbij deden, nog op school zaten of studeerden. De regelmatiger medewerkers kregen ook wel schnabbels toegeschoven in de ‘tienerpagina’s’van gewone bladen. En later kwamen er advertenties. De gevestigde media- en reclamereclamewereld smachtte naar contact met het geheim van Beat en Twieners. De advertenties werden in het begin door Hitweek zelf opgemaakt. Overigens verstandige mensen dachten nog wel eens dat er met Hitweek goud werd verdiend, anderen vroegen waarom de krant geen subsidie aanvroeg.
Subsidie?, Formulieren?, Bureaucraten? geen haar op de hoofden die daaraan dacht. Hitweek was zelfstandig, ‘Low budget, High profile’. Op de korte termijn een, laten we zeggen evenwichtig ‘business model’. Op korte termijn vrijblijvend en onkwetsbaar.
Eigen professionalisering
Ervaring leidt tot professionalisering. Met de meer ervaren André van de Louw kwam uit de hoek van de VARA ook medewerking van Henk Bongaarts en Wim Bloemendaal. Wim ging de rubriek AU! Schrijven en werd het politieke gezicht van Hitweek. Van het front van de fanclubs kwamen Pim Oets en Laurie Langenbach. Oets was een van de eerste popdeskundigen, Laurie richtte zich vooral op de meer menselijke kanten (‘bij de ster thuis’) van het twienerleven. Later volgde popkenner Evert Wilbrink en werd Koos Zwart een vaste aanwezigheid. Vanaf 1966 gingen ook andere studenten uit Olofspoort, later ook werkend bij de VPRO, in de krant schrijven: Frits Boer die vanuit Californië Frank Zappa introduceerde en later in de medische rubriek ‘Dag Dokter’ voorlichting gaf over sex en drugs, Jan Donkers (Byrds, Burrito’s, Neil Young en Steve Miller), Wim Noordhoek (koester de nieuwe alternatieve verworvenheden) en bluesman Arend Jan Heerma van Voss. Naast de berichten uit de bewogen jeugdsamenleving bood de krant een solide body van steeds professioneler reportages, nieuws en muziekkritiek. Tussen ‘66 en ’68 gebeurde er erg veel: Prins Claus trouwde met Prinses Beatrix, de Amerikanen raakten verstrikt in de Vietnam oorlog, studenten bezetten Het Maagdenhuis, Beat veranderde in Underground, beatclubs veranderden in Provadya’s, Paradiso’s en Fantasio’s, Provo’s werden kabouters, er kwam Flower Power, er werd steeds meer aan sex vertoond en de grote Festivals kwamen op gang.
In de zich permanent vernieuwende vormgeving van Willem zorgde het bonte gezelschap van de regelmatige en langsvliegende medewerkers eendrachtig voor de best denkbare verslaglegging van die periode. De vaste kern veranderde in een redactie.
Werd Hitweek volwassen?
Eigen vervolg
Hitweek maken was spannend en dankbaar, maar het was ook heel hard werken om de krant op tijd de Alexander Boersstraat uit te krijgen, elke week opnieuw. Tegen de deadline de hele nacht door, tot het ochtendgloren. Dat was vooral voor Marjolein en Willem op den duur teveel. Bij Willem werd het behalve lichamelijke, ook artistieke vermoeidheid. Hij wilde ook weer andere dingen kunnen oppakken en daar was nu geen tijd voor. De oplossing was het dubbelvouwen van Hitweek tot het twee-wekelijks verschijnende Aloha.
Aloha was ook een prachtkrant, maar langzamerhand veranderde het karakter. Er was mooi nieuws uit het land en de wereld, maar een relatief groot gedeelte van de inhoud werd door dezelfde mensen gebracht. De bijdragen werden omslachtiger en het geheel werd geleidelijk minder eendrachtig en vaker raillerend. Aan de ene kant verschenen er langere, degelijker stukken over muziek en ook uiteenzettingen over de politieke verhoudingen. Aan de andere kant werd de anatomische les steeds explicieter in beeld gebracht en kwamen er wat vagere verhalen over liefde, verdovende sigaretjes en een nieuw levensgevoel. De inhoud werd bijeengehouden door de sierlijke vormgeving van Willem en een serie nieuwe opmakers en striptekenaars waarin het droog hilarische werk van Piet Schreuders opviel. Willem wierp zich verder op het wonder van de seksualiteit in het tijdschrift Suck.
De vorm van Aloha bleef uniek, maar qua inhoud begon de creatieve ballon langzaam leeg te lopen.
Eigen einde
Er kwam steeds minder post uit het land en de vaste krachten van de redactie van Aloha gingen steeds uitgebreider vergaderen over De Toekomst van de krant. Willen we een goed professioneel product maken? Moet het allemaal juist speels en anarchistisch zijn? Schrijven we voor jongens en meisjes tussen 15 en 25 of groeien we met onze generatie mee? (Meegroeien Met De Doelgroep: mijn vader trok in de jaren 50 met anderen de jeugdherberg Ockenburg van de grond. Met het ouder worden van de doelgroep werd de jeugdherberg gesloten. Het huidige Ockenburg dankt zijn bekendheid bij de oorspronkelijke doelgroep aan de begraafplaats annex crematorium.) Dilemma’s en nog meer Dilemma’s. Soms ook factiestrijd, complotten en verborgen agenda’s. Kortom: de door rookwolken omgeven dialogen en monologen uit het conferentieoord in bosrijke omgeving.
Ondertussen werd de krant links en rechts ingehaald en dat valt altijd moeilijk bij de strijders van het eerste uur. (Een voorbeeld: Politiek geëngageerde jongeren hadden jarenlang demonstratief gestreden tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam. Zij liepen te hoop tegen de Amerikaanse en de eigen regering. Tot die oorlog bijna afgelopen was en er ook een minister tussen de demonstranten gesignaleerd werd. Je zou denken: tevredenheid onder de demonstranten, ons doel is bereikt. Maar de demonstranten voelden het als manipulatie van hun goede zaak door foute mensen.)
Marjolein had ooit over Hitweek gezegd: “Wat we wilden was een eigen alles voor iedereen: eigen haar, eigen clubs, eigen muziek, eigen mode...een eigen blad”. Deze missie had zijn doel natuurlijk bereikt. Bij Aloha kon de redactie vergaderen over wat er nu nog verder te verbeteren viel, maar dat leek meer op onderhoud en reparatie. Geen taak waarmee je een baanbrekend blad overeind houdt. Aloha werd opgeheven.
Kort maar krachtig
Provo was in 1967 al ten grave gedragen, The Beatles hielden er in 1970 mee op en Aloha werd opgedoekt in 1972. Wat kort had het eigenlijk geduurd! Wat een samengebalde energie was er vrijgekomen! Wat was er veel veranderd.
Bij een eerdere terugblik heb ik nog eens gezegd dat met Hitweek een volgende muizenstap op weg naar de weldenkendheid was gezet, ongeveer vergelijkbaar met de invoering van de AOW. Daar werd verbaasd op gereageerd. Niet omdat de verworvenheid van de AOW daarmee gekleineerd werd, maar omgekeerd, omdat Hitweek toen belangrijker gevonden werd dan het gegarandeerde basisinkomen.
Ik denk nog altijd met veel plezier terug aan Hitweek, de mensen, het huis en de jaren 60. Ik groeide op in een periode waarin de bewaarkool op zijn laatste benen liep. Daarvóór heerste de matigheid en de afkeer van aanstellerij: ‘sportief en toch gekleed’, ‘aromatisch doch mild’, zuinigheid en vlijt, ‘doe je dat thuis ook?’, ‘sport is gezond’ en ‘twee kleuren rood vloeken’.
Politiek protest mócht – binnen het kader van de ingetogen democratie. Inleidende sex mócht voor de rijpere jeugd heel soms – mits voorzien van een onmenselijke dosis liefde. Dienstweigeren[2] kón – als daar voldoende idealistisch fundament en veel geploeter tegenover stond. Zoals bekend is er van al die voorschriften na de vrolijke HAARGOLF waarin Hitweek en Provo het land overspoelden niet veel heel gebleven. Het harig jonge volkje hield op boterhammen met tevredenheid te eten.
Lang Haar en Herriemuziek betekenen nu niks bijzonders meer. Toen was er voor het dragen van lang haar heel wat inzet en volharding nodig. Maar als je de stap gezet had en je kwam een ander tegen betekende het ook meteen: Goed Volk!. Contact, Communicatie: in de klas, op straat, in de kroeg, op de camping: je wist met wie je te doen had. Met een goeie vogel of fantastische chick, die ook van Them en de Stones hield, overhoop lag met domme leraren, een uitstekende boetiek wist en je meenam naar een voortreffelijke club. Of mee naar huis om over akties en festivals te praten onder het genot van een stickie. Of het nou in Zwolle, Amsterdam, Antwerpen, Marseille of Londen was: de solidariteit lag op straat.
Solidariteit
Solidariteit: het kwam bijvoorbeeld naar boven bij oproerachtige aktie. Als er in de jaren daarvóór iets aan de hand was tussen demonstrerende jongens en meppende politie dan was de dagbladpers er als de kippen bij om te beweren dat de menigte te splitsen was in enerzijds maatschappelijk bevlogen jongelui die op de verkeerde manier het goede voorhadden en anderzijds de ‘ordinaire relschoppers’ die louter uit waren op kapotmaken.
Heel lang waren er ook ‘organisatoren’ genoeg die na een felle aktie vertelden dat de goede zaak jammergenoeg was geschaad door het destructieve optreden van foute elementen die uiteraard streng moesten worden gestraft.
In het begin van de jaren ‘60 was er een tijdje waarin ‘foute’ jongens stomweg niet bestonden: alle demonstranten, ook al kwamen ze wat rauw uit de hoek, waren bonafide demonstranten, ook ruwe bolsters waren echte Provo’s.
Maar er kwamen steeds meer langharigen. En dan kwam onherroepelijk het moment dat je door een langharige in een auto bijna van de zebra gereden werd, dat je met een goed uitziende vogel ruzie kreeg en dat een gast in een Afghaanse jas er met jouw chick vandoor ging. Dan kwam onherroepelijk het moment waarop je merkte dat er onder lang haar ook een zulthoofd kon schuilgaan. “Langharig werkschuw tuig” kreeg jarenlang de waarschuwing “Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg” te horen. Gek was ondertussen gewoon geworden.
Gek en raar staan nu op het veelomvattende menu van de ‘massa-individualisering’. Als het gaat om muziek, mode, kunst, vermaak en levenswijsheid is er meer keus voor meer doelgroepen dan ooit. Zet de zoekmachine aan en je wordt op je wenken bediend.
Je vind dan ook deze tentoonstelling, Meesterverteller Willem de Ridder en de Poezenkrant en Furore van Piet Schreuders.
Mooi. Het is wel minder huiselijk.
--------
*) Bewerking van de inleiding van: Willem de Ridder en Frank Dam (red.), ‘Het Beste uit Hitweek’, Het Spectrum, Utrecht 2003.
Terug naar boven
[1] Nic Cohn, Pop from the beginning, Weidenfeld and Nicolson, 1969
[2] er bestond dienstplicht waarmee niet te spotten viel